Historie

De speeltuin als start van buurtleven.

In het voorjaar van 1951 werd in café Hotel Centraal de Speeltuinvereniging Vreugde-Oord opgericht. Vreugde-Oord werd daarmee de vierde speeltuin in Alphen-dorp, er bestonden reeds Bloemhof aan de Aarkade, Kindervreugd bij de Brittenruststraat en Oudshoorn aan de Ruijsdaelstraat. In Aarlanderveen kwam ook een speeltuin, maar de tuin Ons Buiten, nabij het vm. station Gouwsluis, verdween.

Het speeltuinwerk bestond sinds 1890 in Nederland. Grondlegger van de eerste tuin was ‘vader’ Klaren te Amsterdam. Het speeltuinwerk was een reactie op de verstedelijkte situatie waar door dichte bebouwing en toenemend verkeer nauwelijks ruimte was voor het veilig spelen door kinderen.

In Alphen aan den Rijn, weliswaar nog een agrarische centrumgemeente, kwamen de kinderen van de geboortegolf van 1946 ook al op straat te staan. De vereniging zag voor zich als areaal het gebied van Hefbrug tot voorbij de Hofbrug. Men richtte zich wel op kinderrijke straten maar er was geen stukje grond noch een clubhuis beschikbaar. De belangen van grond voor woningbouw, bedrijven en verkeersaders wogen meer dan de vraag om een reststukje voor spelende jeugd. De woningnood en behoefte aan bedrijfsruimte was zo groot dat er geen sprake was van leegstand en incourante gebouwen.

Als eerste ‘clubhuis’ vond men in 1953 een kleine garage/praktijkruimte bij het woonhuis van de heer Kuiper,  Stationsstraat 30; maar eigenaar A.L. Oudenes bedong wel dat er ’s zondags plaats zou zijn voor zondagsschool de  Blijde Boodschap. In het voorjaar van 1954 eindigde dit gebruik al weer en verkaste men voor een half jaar naar een leegstaand huis tegenover de Stationsstraat (Prins Hendrikstraat 128), de zondagsschool voer in het kielzog als huurder trouw mee. Stroom voor verlichting betrok men via een tussenmeter van IJssalon Den Tol. Voor grootschaliger bijeenkomsten moest men het IJsclubgebouw huren (Sinterklaasviering) of vm. Café Borgers in de Pieter Doelmanstraat (voor de Bazar). In februari 1956 moest men tijdelijk naar een schuur van de boerderij De Kievit aan de Havenstraat, maar toen was er al reële hoop: er was een terrein achter de Vorselenburgstraat (eerst Burg. Visserstraat geheten) waarvan een varkensstal beschikbaar zou kunnen komen voor gebruik als clubhuis.

Het bestuur had geen of weinig ervaring en spiegelde zich graag aan andere speeltuinen. Zo kreeg men in 1953 ƒ 200 subsidie en in 1954 ƒ 500. Speeltuinvereniging Ons Buiten kreeg zelfs ƒ 2.700 voor het in orde brengen van hun terrein, maar Vreugde-Oord had nog geen stukje grond. Men deed wel zijn best: herhaaldelijk wendde het bestuur zich met correcte brieven tot het College van B. en W. om te informeren naar de voortgang. Soms liet men heel slim de Vereniging voor Veilig Verkeer op de gevaarlijke verkeerssituatie wijzen of wist men Alphens Belang te interesseren. Dan was er weer een gemeentelijke functionaris die ‘een landje’ in het verschiet wist, dan sprak een andere ambtenaar het weer categorisch tegen; en al deze vertrouwelijkheden vlogen door de straten. Toen het bestuur zelf een plekje voordroeg, moest het college ook met redenen omkleed reageren: in januari 1954 noemde men het terrein naast Café Van Oosten; maar hier was een wegdoorsteek geprojecteerd zo lieten B. en W. weten. Twee maanden later stelde de directeur van gemeentewerken een terrein achter de Havenstraat voor (dit gerucht dreigde tot een uittocht van leden uit de Zeilmakerstraat en Prinsenlaan te leiden). Een half jaar later meldde het college dat daar een sportveld voor het Chr. Lyceum gepland werd, wel werd een weiland van boerderij Vorselenburg achter de Burg. Visserstraat genoemd. Maar het college had al zo vaak een brief gestuurd waarin een onderkomen en een terrein in het vooruitzicht gesteld werd, maar nooit werd een plaats of datum genoemd. Buiten het zicht van het speeltuinbestuur beklonken A.L. Oudenes, projectontwikkelaar, en de gemeente een overeenkomst. Oudenes bracht de landerijen van boerderij Vorselenburg in die de gemeente graag wilde verwerven om woningbouw mogelijk te maken aan de Prins Hendrikstraat en aan de verlengde Conradstraat, Oudenes zag meer in de bouw van herenhuizen en villa’s in de Vijverstraat. De gemeente kocht ook de boerderij Vorselenburg van eigenaar Den Hollander (te Monte Carlo) en trof een regeling met pachter Den Dolder. Eind maart 1955 ging de kogel door de kerk: Speeltuin Vreugde-Oord zou aan de Burg. Visserstraat/Vorselenburgstraat komen, en als klap op de vuurpijl kon men de vm. varkensstal van Vorselenburg voorlopig benutten als clubhuis -er moest nog wel 3 meter af voor een uitrit.

Op het gemeentehuis stelde de directeur van gemeentewerken in juli 1955 dat voor een speeltuin qua egalisering, slootdemping, afrastering, inplanting enz. ƒ 27.000 nodig was. B. en W. vonden egaliseren en afrasteren voldoende en stelden daarvoor ƒ 8.450 beschikbaar. De gemeente had nu haast en wilde de tuin open hebben voor de wegomlegging Prins Bernhardlaan-tijdelijk via Hazeveld-Gouwsluisseweg in 1956 gereed zou zijn.

De Speeltuin Vereniging  “Vreugde Oord” had intussen  rechtspersoonlijkheid gekregen door koninklijke goedkeuring.

Vanaf voorjaar 1956 was het clubhuis gevestigd in voormalige boerderij De Kievit.  Half 1956 stelde de directeur van gemeentewerken aan B. en W. voor om de bestuursleden toestemming te geven om de veestalling van boerderij De Kievit aan de Havenstraat te laten slopen (voor ƒ 300) en de materialen af te voeren naar het terrein van de speeltuin om het te benutten voor de bouw en de inrichting van hun clubhuis. Akkoord! De vrijkomende dakpannen -die niet gebruikt konden worden- probeerde  men te verkopen. De gemeente zou het landje bij Vorselenburg geëgaliseerd opleveren en het bestuur wilde een gedeelte graag betegelen (n.b. de vrijkomende trottoirtegels moesten wel tegen boekwaarde overgenomen worden). In oktober schreef het bestuur bedremmeld dat het toch tegen viel, de vloeren en fundering kreeg men er met de hand niet uit. Men vroeg ƒ 400 voor de extra moeite. Het gemeentebestuur nam zijn verantwoordelijkheid en besliste dat de gemeente dit zelf moest doen.

De grootte van de toekomstige speeltuin – 50 x 64 m  – vond men eigenlijk veel te klein. Anderzijds rezen er ook plannen om een houten clubgebouw aan te schaffen. Er waren wilde ideeën genoeg, maar de opkomst voor het maken van speeltuigen was bedroevend. Eind 1956 wist men 30.000 stenen te kopen voor bestrating, elektriciteitskabel en materiaal voor rioolaansluiting. Men streefde er naar om de tuin op 8 april 1957 open te stellen.

De druk van de buurtgenoten, de leden, en van hun kinderen was sterk. Het bestuur moest onderhandelen met het gemeentebestuur, soms raakte men zo optimistisch dat men bij andere tuinen de maten van speeltoestellen ging opnemen, dan verlieten bestuursleden weer gedesillusioneerd dit buurtwerk. Het bestuur moest ook vaak spitsroeden lopen voor hun eigen leden die veeleisend en kortzichtig waren. De kinderen moesten spelen en de bestuursleden  en andere vrijwilligers -niet veel- moesten op avonden werkzaamheden verrichten, de beplanting moest aangebracht worden, er moesten snel een kraan en een wc en riolering komen, voorts bestrating; men besloot ook tot een revolutionair onderdeel: een betonnen rolschaatsbaan (mei 1957).

In 1957 werden de zaken ook notarieel geregeld, toen de grond overgedragen werd, kadastraal B 613 (ged.) ca. 943 m² en B 3341 (ged.) ca. 2418 m ² en voorts het recht van opstal en van uitpad op de Van Dijkstraat geregeld werden, sierden de namen van J. Bosman, brugwachter, Gaslaan 5; Anton Bauer, timmerman, Korte Conradstraat 10; Cornelis van den Berg, boekhouder, Oranjestraat 9; Hendricus Wilhelmus van Teeffelen, kapper, Prins Hendrikstraat 19; Jacobus Schollaardt, metaalbewerker, Van Dijkstraat 12; Cornelis Wittebol, scheepstimmerman, Vorselenburgstraat 29; Jacobus Martinus Timmer, metaaldraaier, Torenstraat 35; Jacobus van Ofwegen, loodgieter, Dwarsstraat 7 en Tjibbe Jochem Engelbrecht de Groot, tuinman, Oranjestraat 54, deze belangrijke akte.

Het clubwerk vond nog plaats in een tijdelijk onderkomen in Schoolstraat 5(nu Castellumstraat) – van januari  tot mei 1958. In juli 1958 werd de Tuin van Vreugde-Oord officieel geopend, maar een clubhuis was nog niet te realiseren. Er waren aanbiedingen van houten barakken, maar die bleven oud en  zouden veel onderhoud gaan vragen. Er was ook een tekening gemaakt door Architect Brouwer voor een nieuw te bouwen onderkomen, maar dat zou ƒ 20.000 kosten. De meerderheid van het bestuur durfde dat in de zomer van 1959 echt niet aan. Een half jaar later waren het mogelijke en het riskante elkaar sterk genaderd: de Boerenleenbank wilde een lening van ƒ 15.000 verstrekken en aannemer Slingerland was na enkele keren schaven met zijn prijs gezakt tot ƒ 16.870, hoewel de vloer nog een bespreekgeval bleef en uiteindelijk ƒ 600 meer zou kosten. Het bestuur waagde de gok en op 19 november 1959 verleende de gemeente toestemming voor de bouw van een clubhuis aan de Van Dijkstraat. De zondagsschool als trouwe huurder betaalde ƒ 5 per zondag voor twee uren op zondagmiddag.

Op 18 juni 1960 kwam Crescendo de officiële opening met vliegend vaandel, slaande trom en schetterend koper opluisteren. Een heus Kamerlid uit de Stationsstraat, de heer De Ruiter, mocht het lint doorknippen.

De buurt van Gouwsluis tot de Hofbrug had een volledige speeltuin met een modern onderkomen  voor activiteiten van allerhande clubs.

Het bestuur  kon nauwelijks van de enerverende jaren bekomen, want er waren weer nieuwe wensen en nog meer zorgen: de tuin zelf moest worden uitgebreid; de succesvolle kabelbaan moest verplaatst;  het verhuur van het gebouwtje voor dansavondjes bleek meer overlast en ergernissen te geven dan financieel voordeel en dus moest men dit beëindigen; bruiloften en vergaderingen bleven welkom, maar gingen ook vaak niet ongemerkt aan de buurt voorbij (1963); vanaf 1971 vond er geen verhuur meer plaats na 02.00 uur.

De heer Bruné werd benoemd tot tuinbaas.

De speeltoestellen van de tuin werden regelmatig aangepast aan nieuwe ideeën  en wensen: in 1968 kwamen er een familieschommel en een klimboog.

Het gebouw dat bij de opening zo modern was: een moderne wc voor de kinderen, een kraan om te drinken en om handen te wassen, een keuken, een zaaltje met toneel, gaskachelverwarming, een buitenklok, leek met het verlopen van jaren steeds benauwder en beperkter te worden.

Het zou tot de tachtiger jaren duren voordat men opnieuw een eigentijdse speeltuin en een modern gebouw kon realiseren, de opening was op 16 september 1989. De kunst van het schrijven van uitgebreide rapporten, sociologische studies, subsidiologische begeleiding en sturing, buiten-parlementaire actie en PR-strategieën was toen al redelijk gemeengoed.

Kinderen moeten kunnen spelen

Kinderen willen rennen zonder geremd te worden door reflexen om te stoppen bij stoepranden; tegen een bal moet je kunnen schoppen zonder daarna glasgerinkel te horen;  spieren moeten gemeten kunnen worden zonder een ander slachtoffer te laten zijn. Daartoe was er in de speeltuin ruimte om te hollen, te ballen, te schommelen, te wippen, voor touwklimmen en ronddraaien. Daarbij is de speeltuin een belangrijk sociaal gebeuren: of het gezin nu met vakantie naar Lunteren  geweest is of naar Kenia, bij thuiskomst zijn in de speeltuin de vriendjes en vriendinnetjes om mee te praten.

Behalve het vrije spelen was Vreugde-Oord ook rijk aan clubs: handwerken -er was ook een damesclub Praten en Breien- , zingen, knutselen, dammen, toneelspelen, mondharmonica spelen, blokfluiten, een drumband op kaakjesblikken, dansen, en alleen in Vreugde-Oord, uniek voor Nederland: de klepperclub onder leiding van mevrouw Koren-Hoek, hardhouten plankjes voor een ritmisch geluid, ontstaan toen instrumenten niet te krijgen en niet te betalen waren. Later kwamen er ook filmvoorstellingen. Alles werd getoond en ten gehore gebracht op een jaarlijkse ouderavond in het Nutsgebouw. Deze Ouderavonden liepen al snel terug in de belangstelling, men probeerde de Nutszaal nog vol te krijgen door kaartjes te verstrekken aan de Ouden van Dagen-organisaties  en aan de Martha-Stichting.

In de voorzomer moest alles en iedereen in het geweer gebracht worden voor de Optocht  (met de collecte ten eigen bate) door het centrum en door de eigen wijk met muzikale inbreng van de Klompenfluters; later werd dit deelname aan Kleur en Fleur, een lokaal bloemencorso. Een nog ingrijpender manifestatie was de zomerfietstocht naar Duinrell, voor ƒ 0.25 per deelnemend gezin, soms was de sliert wel 100  fietsers lang. In 1961 wendde men voor het eerst de koers naar het Bosplan nabij Amsterdam (vertrek om 07.30 uur).

Eind zestiger jaren vroeg bestuurslid Klerk om een frisse wind door de tradities van opereren, het programma van de Ouderavond was zo oud als de vereniging zelf: opening-zang-ritmiek-klepperen-zang-ritmiek-klepperen-zang-PAUZE-toneel-verloting d.m.v. Rad van Avontuur; hetzelfde gold voor het jaarprogramma.

De jeugd zelf had in het voortgezet onderwijs kennis gemaakt met volleybal en zo kwamen er ballen en een net. De televisie hield veel mensen thuis en maakte qua inhoud het clubwerk oubollig.

De invloed van jeugdrevoltes in Amsterdam en Parijs echode door tot in Vreugde-Oord: er kwam een Jeugdcommissie, werkende leden waren o.a. J. Domburg, J. en H. Rademaker, A. de Heij, D. Koster, J. de Groot.

De Tuin ging in 1971 ook ’s avonds open, zonder toezicht.

In de tachtiger jaren heeft men jaren gewerkt aan het realiseren van een nieuw gebouw en een hernieuwde inrichting van de tuin. De Vereniging Vreugdeoord werd uitgebreid tot een Speeltuin- en Buurtvereniging en ook gehandicapten konden nu gebruik maken van de accommodatie. Heel modern was ook het feit dat in het gebouw een Kinderopvang kwam.

Bestuur

Aan het begin van de vijftiger jaren was de buurt rondom Speeltuin Vreugde-Oord een statische omgeving: er woonden hier naar de maatschappelijke lagen handarbeiders,    kantoorklerken, middenstanders en gezeten burgers in straten met arbeidershuizen, middenstandswoningen en herenhuizen. De kinderen speelden buiten maar wel vooral in de eigen straat met gelijke kinderen. Open gebied was er niet en alleen als het sterk ijs was, mocht men over de weilanden naar de ijsvlakten op sloten, de Spoorvaart en de Tankval.

Het initiatief voor de speeltuin kwam vooral voort uit de straten met de handarbeiders en kantoorklerken. Dit gold ook voor de bestuursleden die gewend waren aan een ondergeschikte positie en nu in hun functie voor Vreugde-Oord  het college van B. en W. moesten aanspreken en tot onderhandeling brengen en veelal geen of weinig weerwoord hadden tegen argumenten, cijfers en conclusies. In de eerste twee decennia is dit duidelijk te merken. Na de zestiger jaren veranderde de wijk en de samenstelling van de bevolking. De vergrijzing maakte plaats voor verjonging, er werden nieuwe straten bijgebouwd (Rivierenbuurt) en veel van de nieuwe bewoners konden op  één avond een begroting maken of beoordelen, een subsidieverzoek schrijven of een bouwtekening lezen of vervaardigen. Ook de betrokkenheid werd gerichter: de Tuin was voor hen belangrijk zolang de kinderen van kleuter tot tiener groeide. Voor deelname aan clubs had men veelal geen tijd. Anderzijds kon men ook goede tips aanreiken: de juiste vergunning, een passende verzekering.
De eerste echte bestuursvergadering had plaats op 9 juni 1951. Men besloot tot deelname aan de jaarlijkse optocht ter gelegenheid van Speeltuindag en tot het trakteren van ruim 300 kinderen op een glas limonade, een koek en een ijsje. De heer J. van Veen stelde voor om de vereniging Vreugde-Oord te noemen waarmee men akkoord ging.

Het eerste gekozen bestuur bestond uit: W. van der Louw, voorzitter; C. van den Berg, A. van Engelen,  mevrouw A.W. Landaal-Futselaar, H. Maas, C. Nieuwenhuijzen,  en. J.J. van Veen. De contributie bedroeg per jaar ƒ 4,80.  Daarna werd W.J.L. de Kreuk voorzitter. Op de eerste Ouderavond in het Nutsgebouw trad bestuurslid W. van der Louw op als cabarettier.

Voor hand- en spandiensten werd een Dames-Comité opgericht bestaande uit de dames De Geus, Enkhuijsen, Van der Louw, Redegeld, Treur, Van den Burg en De Kreuk.

Ter wille van de goede relaties besloot men alle aankopen bij de winkeliers in de eigen wijk te doen. Het feit dat de bestuursleden vaak bijna elkaars buren waren, vertroebelde snel de relaties binnen het bestuur. De straatpraatjes voor en na bestuursvergaderingen werkten nogal eens contraproductief. Onderlinge vetes leidden tot frequente wisselingen en het snel verliezen van elan. Het lenen van een paar stoelen uit het onderkomen ten behoeve van een verlovingsfeest van een kostganger was genoeg om een half bestuur te doen opstappen. Eind 1954 veegde de voorzitter vrijwel alle leden de mantel uit omdat zij hun plichten verzaakten en een gedurig afwezig lid werd zelfs gevraagd maar te bedanken. Bestuursleden waren vaak leider van een bepaalde club en daarmee elkaars concurrent bij het beheer en opbergen van materiaal enz. De al te krappe ruimte voor clubs veroorzaakte onvermijdelijk allerlei wrijvingen en consequenties.

In het tijdperk vóór de televisie waren de maandelijkse filmvoorstellingen een groot succes, als er tenminste een zaaltje beschikbaar is. Ook populair in de zestiger jaren was de Instuif. Een onderdeel dat ook alle stormen en tegenslagen overleefde was het Speeltuinkrantje met als constante de heer Van Teeffelen. Voor de financiële bijdragen bestond het systeem van het Speeltuinbusje, maandelijks kwam een kind bij kleine donateurs aan de deur voor een geldelijke bijdrage in een collectebusje.

Bij het eerste lustrum in 1956 bestond het bestuur uit: J. Redegeld, J. Bosman, C. van den Berg, C. Wittebol, A. Bauer, J. Schollaard, Tj. J.E. de Groot, Jac. Van Ofwegen en G. Lok.

Twee maal is in de notulen sprake van wangedrag: eind 1959 werd aan twee zoons van een gezin de toegang tot de speeltuin ontzegd en een half jaar later stelde voorzitter Bosman het wangedrag van bestuursleden aan het einde van het openingsfeest aan de orde.

Toch hield het bestuurslidmaatschap veel concreet werk in: men werd geacht onderhoudswerk aan tuin- en speeltoestellen te verrichten en op iedere clubavond had een bestuurslid dienst als toezichthouder. Daarnaast ontstond in de loop der jaren de functie van ‘tuintoezichthouder’ en in verband met de verhuur van het gebouw van ‘sleutelhouder’.

Henk Jan Habermehl, 06-12-2007