Kinderen moeten kunnen spelen
Kinderen willen rennen zonder geremd te worden door reflexen om te stoppen bij stoepranden; tegen een bal moet je kunnen schoppen zonder daarna glasgerinkel te horen; spieren moeten gemeten kunnen worden zonder een ander slachtoffer te laten zijn. Daartoe was er in de speeltuin ruimte om te hollen, te ballen, te schommelen, te wippen, voor touwklimmen en ronddraaien. Daarbij is de speeltuin een belangrijk sociaal gebeuren: of het gezin nu met vakantie naar Lunteren geweest is of naar Kenia, bij thuiskomst zijn in de speeltuin de vriendjes en vriendinnetjes om mee te praten.
Behalve het vrije spelen was Vreugde-Oord ook rijk aan clubs: handwerken -er was ook een damesclub Praten en Breien- , zingen, knutselen, dammen, toneelspelen, mondharmonica spelen, blokfluiten, een drumband op kaakjesblikken, dansen, en alleen in Vreugde-Oord, uniek voor Nederland: de klepperclub onder leiding van mevrouw Koren-Hoek, hardhouten plankjes voor een ritmisch geluid, ontstaan toen instrumenten niet te krijgen en niet te betalen waren. Later kwamen er ook filmvoorstellingen. Alles werd getoond en ten gehore gebracht op een jaarlijkse ouderavond in het Nutsgebouw. Deze Ouderavonden liepen al snel terug in de belangstelling, men probeerde de Nutszaal nog vol te krijgen door kaartjes te verstrekken aan de Ouden van Dagen-organisaties en aan de Martha-Stichting.
In de voorzomer moest alles en iedereen in het geweer gebracht worden voor de Optocht (met de collecte ten eigen bate) door het centrum en door de eigen wijk met muzikale inbreng van de Klompenfluters; later werd dit deelname aan Kleur en Fleur, een lokaal bloemencorso. Een nog ingrijpender manifestatie was de zomerfietstocht naar Duinrell, voor ƒ 0.25 per deelnemend gezin, soms was de sliert wel 100 fietsers lang. In 1961 wendde men voor het eerst de koers naar het Bosplan nabij Amsterdam (vertrek om 07.30 uur).
Eind zestiger jaren vroeg bestuurslid Klerk om een frisse wind door de tradities van opereren, het programma van de Ouderavond was zo oud als de vereniging zelf: opening-zang-ritmiek-klepperen-zang-ritmiek-klepperen-zang-PAUZE-toneel-verloting d.m.v. Rad van Avontuur; hetzelfde gold voor het jaarprogramma.
De jeugd zelf had in het voortgezet onderwijs kennis gemaakt met volleybal en zo kwamen er ballen en een net. De televisie hield veel mensen thuis en maakte qua inhoud het clubwerk oubollig.
De invloed van jeugdrevoltes in Amsterdam en Parijs echode door tot in Vreugde-Oord: er kwam een Jeugdcommissie, werkende leden waren o.a. J. Domburg, J. en H. Rademaker, A. de Heij, D. Koster, J. de Groot.
De Tuin ging in 1971 ook 's avonds open, zonder toezicht.
In de tachtiger jaren heeft men jaren gewerkt aan het realiseren van een nieuw gebouw en een hernieuwde inrichting van de tuin. De Vereniging Vreugdeoord werd uitgebreid tot een Speeltuin- en Buurtvereniging en ook gehandicapten konden nu gebruik maken van de accommodatie. Heel modern was ook het feit dat in het gebouw een Kinderopvang kwam.
Bestuur
Aan het begin van de vijftiger jaren was de buurt rondom Speeltuin Vreugde-Oord een statische omgeving: er woonden hier naar de maatschappelijke lagen handarbeiders, kantoorklerken, middenstanders en gezeten burgers in straten met arbeidershuizen, middenstandswoningen en herenhuizen. De kinderen speelden buiten maar wel vooral in de eigen straat met gelijke kinderen. Open gebied was er niet en alleen als het sterk ijs was, mocht men over de weilanden naar de ijsvlakten op sloten, de Spoorvaart en de Tankval.
Het initiatief voor de speeltuin kwam vooral voort uit de straten met de handarbeiders en kantoorklerken. Dit gold ook voor de bestuursleden die gewend waren aan een ondergeschikte positie en nu in hun functie voor Vreugde-Oord het college van B. en W. moesten aanspreken en tot onderhandeling brengen en veelal geen of weinig weerwoord hadden tegen argumenten, cijfers en conclusies. In de eerste twee decennia is dit duidelijk te merken. Na de zestiger jaren veranderde de wijk en de samenstelling van de bevolking. De vergrijzing maakte plaats voor verjonging, er werden nieuwe straten bijgebouwd (Rivierenbuurt) en veel van de nieuwe bewoners konden op één avond een begroting maken of beoordelen, een subsidieverzoek schrijven of een bouwtekening lezen of vervaardigen. Ook de betrokkenheid werd gerichter: de Tuin was voor hen belangrijk zolang de kinderen van kleuter tot tiener groeide. Voor deelname aan clubs had men veelal geen tijd. Anderzijds kon men ook goede tips aanreiken: de juiste vergunning, een passende verzekering.
De eerste echte bestuursvergadering had plaats op 9 juni 1951. Men besloot tot deelname aan de jaarlijkse optocht ter gelegenheid van Speeltuindag en tot het trakteren van ruim 300 kinderen op een glas limonade, een koek en een ijsje. De heer J. van Veen stelde voor om de vereniging Vreugde-Oord te noemen waarmee men akkoord ging.
Het eerste gekozen bestuur bestond uit: W. van der Louw, voorzitter; C. van den Berg, A. van Engelen, mevrouw A.W. Landaal-Futselaar, H. Maas, C. Nieuwenhuijzen, en. J.J. van Veen. De contributie bedroeg per jaar ƒ 4,80. Daarna werd W.J.L. de Kreuk voorzitter. Op de eerste Ouderavond in het Nutsgebouw trad bestuurslid W. van der Louw op als cabarettier.
Voor hand- en spandiensten werd een Dames-Comité opgericht bestaande uit de dames De Geus, Enkhuijsen, Van der Louw, Redegeld, Treur, Van den Burg en De Kreuk.
Ter wille van de goede relaties besloot men alle aankopen bij de winkeliers in de eigen wijk te doen. Het feit dat de bestuursleden vaak bijna elkaars buren waren, vertroebelde snel de relaties binnen het bestuur. De straatpraatjes voor en na bestuursvergaderingen werkten nogal eens contraproductief. Onderlinge vetes leidden tot frequente wisselingen en het snel verliezen van elan. Het lenen van een paar stoelen uit het onderkomen ten behoeve van een verlovingsfeest van een kostganger was genoeg om een half bestuur te doen opstappen. Eind 1954 veegde de voorzitter vrijwel alle leden de mantel uit omdat zij hun plichten verzaakten en een gedurig afwezig lid werd zelfs gevraagd maar te bedanken. Bestuursleden waren vaak leider van een bepaalde club en daarmee elkaars concurrent bij het beheer en opbergen van materiaal enz. De al te krappe ruimte voor clubs veroorzaakte onvermijdelijk allerlei wrijvingen en consequenties.
In het tijdperk vóór de televisie waren de maandelijkse filmvoorstellingen een groot succes, als er tenminste een zaaltje beschikbaar is. Ook populair in de zestiger jaren was de Instuif. Een onderdeel dat ook alle stormen en tegenslagen overleefde was het Speeltuinkrantje met als constante de heer Van Teeffelen. Voor de financiële bijdragen bestond het systeem van het Speeltuinbusje, maandelijks kwam een kind bij kleine donateurs aan de deur voor een geldelijke bijdrage in een collectebusje.
Bij het eerste lustrum in 1956 bestond het bestuur uit: J. Redegeld, J. Bosman, C. van den Berg, C. Wittebol, A. Bauer, J. Schollaard, Tj. J.E. de Groot, Jac. Van Ofwegen en G. Lok.
Twee maal is in de notulen sprake van wangedrag: eind 1959 werd aan twee zoons van een gezin de toegang tot de speeltuin ontzegd en een half jaar later stelde voorzitter Bosman het wangedrag van bestuursleden aan het einde van het openingsfeest aan de orde.
Toch hield het bestuurslidmaatschap veel concreet werk in: men werd geacht onderhoudswerk aan tuin- en speeltoestellen te verrichten en op iedere clubavond had een bestuurslid dienst als toezichthouder. Daarnaast ontstond in de loop der jaren de functie van 'tuintoezichthouder' en in verband met de verhuur van het gebouw van 'sleutelhouder'.
Henk Jan Habermehl 06-12-2007